Schildklierkanker

Knobbels in de schildklier komen vaak voor. Verreweg de meeste van deze knobbels  (ook wel 'nodus' genoemd) zijn goedaardig. Wanneer er sprake is van een goedaardige schildklierknobbel, vindt alleen behandeling plaats als deze knobbel  door de grootte plaatselijke klachten geeft. Afhankelijk van verschillende factoren en de wens van u als patiënt kan gekozen worden voor behandeling door middel van radioactief jodium of behandeling door middel van een operatie. Soms kan het onderscheid tussen een goedaardige of een kwaadaardige nodus niet met zekerheid gemaakt worden. In dat geval volgt een diagnostische operatie, waarbij de schildklierhelft met de nodus wordt verwijderd.

Typen schildklierkanker
Kanker is een kwaadaardige groep cellen of gezwel. Die cellen dringen ook het omliggende weefsel binnen en/of kunnen zich losmaken en verspreiden door het lichaam en op andere plekken nieuwe gezwellen veroorzaken. Naast een kleine aantal zeldzame vormen van schildklierkanker, worden 4 typen schildklierkanker onderscheiden:

  1. Papillair carcinoom: de tumor groeit langzaam en uitzaaiingen zijn zeldzaam. De tumoren kunnen op meerdere plaatsen tegelijk voorkomen in de schildklier.
  2. Folliculair carcinoom: een follikel is een blaasje. Het normale schildklierweefstel is opgebouwd uit blaasjes. Hierin kan een carcinoom ontstaan dat vaak is ingekapseld en vergroeid met het omliggend weefsel en bloedvaten.
  3. Anaplastisch carcinoom: een aggressieve vorm van kanker: groeit snel, infiltreert snel omliggend weefstel en zaait makkelijk uit.
  4. Medullair carcinoom: dit carcinoom ontstaat niet in de schildkliercellen, maar in de cellen die calcitonine produceren. Calcitonine regelt de hoeveelheid calcium in de botten en produceren soms nog andere hormonen. Calcium geeft stevigheid aan het skelet en aan het gebiet. Deze eveneens zeldzame vorm van schildklierkanker kent twee vormen: incidenteel en erfelijk (MEN-2 syndroom). incidenteel betekent dat het wel eens voorkomt, erfelijk betekent dat het bepaald is door uw genen.

Behandeling schildklierkanker
Vrijwel altijd bestaat de behandeling van schildklierkanker uit een operatie. Hierop kan nog een behandeling volgen met bestraling: met radioactief jodium en heel soms met uitwendige bestraling. Door de verwijdering van de schildklier kan een secundaire hypothyreoïdie ontstaan. Bij een secundaire hyperthyroïde wordt geen of te weinig schildklierstimulerend hormoon aangemaakt. In dit geval dient de patiënt levenslang vervangend schildklierhormoon te slikken.

De precieze behandeling hangt af van het type schildklierkanker en de specifieke situatie van de patiënt. Het papillair en het folliculair schildkliercarcinoom kunnen meestal goed behandeld worden met een operatie, gevolgd door radioactieve jodiumtherapie. De meeste patiënten met een papillair of folliculair schildkliercarcinoom zijn na de behandeling genezen en krijgen de ziekte niet terug. De kans op genezing van het medullair schildlkliercarcinoom is erg afhankelijk van het stadium waarin de ziekte ontdekt wordt. Patiënten met een slecht gedifferentieerd schildkliercarcinoom moeten vaak uitgebreide operaties ondergaan en daarna ook nog op de hals bestraald worden. De kans dat de ziekte terugkomt blijft altijd aanwezig. Het anaplastisch schildkliercarcinoom is erg zeldzaam. Deze vorm van schildklierkanker is zo agressief dat genezing bij het ontdekken van de ziekte vaak niet meer mogelijk is.

Operatie schildklierkanker
Vrijwel altijd bestaat de behandeling van schildklierkanker uit een operatie. U als patient wordt hier doorgaans de dag van de operatie voor opgenomen. De meest voorkomende schildklieroperaties zijn:

  • Hemithyreoïdectomie, waarbij de halve (hemi) schildklier (thyroïd), links of rechts, wordt verwijderd.  
  • Totale thyreoïdectomie, waarbij de gehele schildklier wordt verwijderd. 
  • Halsklierdissectie, waarbij de lymfeklieren weggehaald worden waar uitzaaiingen in zitten, en ook de lymfeklieren daaromheen.

Als alleen de schildklier geopereerd hoeft te worden, krijgt de patiënt een dwars litteken in de hals, ongeveer 3 centimeter boven het borstbeen. Meestal geneest dit litteken mooi en valt het weg in een halsrimpel. Als een halsklierdissectie moet worden uitgevoerd wordt het litteken aan één of beide kanten verlengd tot net onder het oor.

Na de operatie gaat u terug naar de afdeling. u bent dan waarschijnlijk al in staat om wat bezoek te ontvangen. Sommige patiënten, bij wie een hogere kans op complicaties van de operatie of de narcose bestaat, gaan na de operatie naar een afdeling met extra bewaking. Meestal mag u na de operatie snel weer eten en drinken. Na een hemithyreoïdectomie gaat de patiënt meestal de volgende dag naar huis. Na een totale thyreoïdectomie en na een halsklierdissectie duurt het meestal 2-4 dagen voordat de patiënt naar huis mag.

Naast de hierboven beschreven operaties kan het voorkomen dat er geopereerd moet worden aan de luchtpijp, de slokdarm, of dat uitzaaiïngen in de borstholte of elders in het lichaam verwijderd worden. Ook deze operaties worden in het Erasmus MC uitgevoerd.

De meest voorkomende complicaties van een schildklieroperatie:

  • Beschadiging van de stembandzenuw (nervus recurrens) , waardoor de patiënt een hese en minder krachtige stem krijgt. Gelukkig komt beschadiging van de stembandzenuw weinig voor en treedt meestal herstel op.  
  • Onvoldoende bijschildklierfunctie door beschadiging van de bijschildklieren. Gelukkig herstellen de bijschildklieren bij veruit de meeste patiënten vanzelf.  
  • Na elke operatie is er een kleine kans op een nabloeding. Bij schildklieroperaties is een nabloeding heel zeldzaam, maar als het gebeurt moet de patiënt meestal snel opnieuw geopereerd worden.
  • Rond littekens hebben patiënten vaak een doof gevoel van de huid. Dit komt vooral vaak voor na halsklierdissecties. Ook de oorlel wordt vaak gevoelloos. Na verloop van tijd komt het gevoel meestal gedeeltelijk terug, waardoor patiënten er op den duur vaak nauwelijks last meer van hebben.
  • Als een halsklierdissectie moet worden uitgevoerd komen tijdens de operatie belangrijke zenuwtakken bloot te liggen. Veel patiënten hebben na de operatie last van tintelingen in de arm, een lichte zeurende pijn in de schouder en minder kracht van de schouderspieren. Deze klachten verbeteren na verloop van tijd, zeker ook met behulp van fysiotherapie. Uit grote wetenschappelijke onderzoeken blijkt echter dat ongeveer 50% van de patiënten milde klachten blijft houden.

Behandeling met radioactief jodium
Op de operatie kan soms een behandeling met radioactief jodium volgen. Radioactief jodium zendt straling uit, dat ervoor zorgt dat de schildklier kleiner wordt of dat schildklierresten verdwijnen. De schildklier wordt hierbij van binnenuit bestraald. Deze bestraling beschadigt het weefsel rondom de schildklier vrijwel niet. U als patiënt neemt het jodium in door een in water opgeloste hoeveelheid te drinken of door een capsule met jodium te slikken. De hoeveelheid die u krijgt toegediend verschilt per patiënt. Behandeling in het ziekenhuis is nodig, omdat een deel van het radioactieve jodium uw lichaam via urine en de ontlasting verlaat.  De omgeving en het milieu worden dan niet besmet met radioactiviteit.